|
Kerstfilms werken beter dan kerstpreken
Niet de geboorte in de stal, maar de Amerikaanse droom van een blij gezin dat bij een knappend houtvuur cadeaus uitpakt, vormt de kern van de meest succesvolle kerstfilms. In sommige films moet de Kerstman gered worden van het hedendaagse cynisme. In andere wordt Kerstmis aan de kaak gesteld als facade.
Rolf Deen
Wie een succesvolle kerstfilm wil maken doet er goed aan de bijbel op veilige afstand te houden. ‘The Nativity Story’ uit 2006 is de enige poging in de filmgeschiedenis om rond de kerstdagen een verfilming van het geboorteverhaal van Jezus Christus in de bioscoop te brengen. De film werd een flop. Terwijl in hetzelfde jaar een B-film uit de Disneyfabriek ‘The Santa Clause III’ wereldwijd toch nog 160 miljoen dollar opbracht, deed ‘The Nativity Story’ amper een kwart van dat bedrag. De producent had het kunnen weten. Bijbelverfilmingen horen bij Pasen en niet bij kerst. Niet voor niets was de eerste Bijbelfilm een verfilming in 1898 van een passiespel en ging de eerste kerstfilm ‘Christmas Eve’ in 1897 niet over het kindje Jezus maar over de Kerstman.
Drie oerscenarios's
Een Bijbelfilm biedt niet wat een hardcore kerstfilm wel vertelt: “In deze angstige wereld valt voor jou ook ergens de sneeuw, gaan de lichtjes aan, knappert houtvuur en brengt de Kerstman op tijd geschenken.” Een Christuskind dat net op de aarde zijn kruis al draagt past niet in die sfeer. De grote bederver van het kerstfeest is Jezus zelf en daarom wordt hij buiten kerstfilmscenario's gehouden. Alle kerstfilms die ieder jaar in de bioscopen draaien en hun levenscyclus op televisie eindeloos verlengen zijn varianten op drie oerkerstfilms: It’s A Wonderful Life (1947) van Frank Capra, Miracle on 34th Street (1947) van George Seaton en alle verfilmingen van het verhaal van Charles Dickens A Christmas Carol. Deze oerscenario’s leverde drie genres kerstfilms op: de feelgood film, de Kerstmanfilm en de kerstsatire.
De feelgoodfilm
Een kerstfilm hoeft helemaal niet over het kerstfeest te gaan. Het is genoeg als de winterfeestdagen, the holiday season, slechts het decor vormen. Als van de volgende elementen er maar voldoende in zit: een nobel of tikkeltje naïeve hoofdfiguur die gedwarsboomd wordt door een slechterik, een romance die ondanks tegenslagen aanhoudt, hulp uit onverwachte hoek, veel gemeenschapszin en saamhorigheid aan het slot, arme mensen die tevreden zijn met de bescheiden verassing die ze toch krijgen, sneeuw buiten en warme huiselijke scènes binnen. In de moeder alle feelgoodfilms ‘It’s A Wonderful Life’ uit 1947 zit het allemaal. Hoofdfiguur George Baily (James Stewart) wil op kerstavond zelfmoord plegen. Van jongsaf heeft hij zich opgeofferd voor anderen. Van hulpvaardig kind groeit hij uit tot de redder van de stadsgemeenschap door met zijn coöperative bank aan de kleine man goedkope lenigingen en hypotheken te verschaffen. Door een domme fout van een bankemployee wordt de coöperatieve een makkelijke prooi voor de aartskapitalist en vrek Mr. Potter. Als George vlak voor hij springen wil uitroept: “Was ik maar nooit geboren!” grijpt zijn beschermengel Clarence in. Clarence laat hem zien hoe het leven in zijn stad er uit zou hebben gezien als George niet was geboren. Dan zou Mr. Potter de toon in het stadje hebben gezet en zou de gemeenschapszin en solidariteit, waar George het toonbeeld van was, er hebben kunnen gedijen. George wil weer leven en gaat vol nieuwe levenszin naar huis en daar ontdekt hij dat zijn stadgenoten genoeg geld bij elkaar hebben gebracht om de bank te redden. It’s A Wonderful Life is lang versleten voor een sentimentele draak, maar hoort inmiddels tot de 100 beste Amerikaanse films en talloze romantische komedies en typische kerstfilms zijn er schatplichtig aan.
De kerstmanfilm
Vormt in de feelgood film kerstmis de achtergrond van het verhaal, in de Kerstmanfilm staat het kerstfeest zelf op het spel. Het dreigt ten onder te gaan en het familiaire samenzijn, de cadeau’s, de hele kerstgedachte met zich mee in de diepte te sleuren. In ‘Miracle on 34th Street’ uit 1947, de oervorm van de Kerstmanfilm, dreigt ontslag voor de Kerstman Kris Kringle (Edmund Gwenn) als hij beweert dat hij de echte de Kerstman is. Omdat Kris voor veel klandizie zorgt kan zijn cheffin Doris Walker (Maureen O’Hara) hem niet ontslaan. Als hij door allerlei verwikkelingen uiteindelijk toch in een inrichting wordt gestopt neemt Fred Gaily (John Payne) een jonge advocaat het voor de kerstman op en probeert zijn echtheid voor het gerecht te bewijzen. Nu alles op de voorpagina’s van de kranten staat brengt dat de volwassenen, waaronder de rechter, in een moeilijk parket. Bevestigen dat Kris Kringle de echte Kerstman is natuurlijk krankzinnig, maar hem krankzinnig verklaren brengt de viering van het kerstfeest voor duizenden kinderen in gevaar. Als door een list alle 50.000 brieven aan de Kerstman die op het postkantoor bij de post restante terechtkomen bij Kris Kringle worden bezorgd, heeft de rechter zijn escape gevonden en beslist hij in het voordeel van de Kerstman. Kerstman gered, maar het kerstfeest nog niet. Dat gebeurt pas als de kerstwens van Susan in vervulling gaat: zij, Doris en Fred zien het huis uit Susan’s dromen te koop staan. Dan vraagt Fred ook nog Doris ten huwelijk en is het geluk compleet. En net als Fred zich vanwege zijn briljante verdediging op de borst slaat en al dit geluk aan zijn eigen inspanningen toeschrijft, ziet hij tegen de open haard van het leegstaande huis de roodwit gestreepte zuurstokstaf van de Kerstman staan en zegt hij: “Misschien heb ik het toch niet aan mezelf te danken.”
Sinds ‘The Miracle in 34th Street’ is de Kerstman in allerlei varianten van dit scenario steeds weer de held die zijn eigen identiteitscrisis en de identiteitscrisis van het Amerikaanse publiek te boven moet komen. Iedere film opnieuw moet hij andere strategieën ontwikkelen om de mythe en de economie van het kerstfeest te herstellen. Steeds weer zien we hoe de vermoeide oude man met witte baard kinderen en hun (gescheiden) ouders het geloof in hem en elkaar teruggeeft. Hoe hij aansluit bij hun dromen over hoe het goede leven zou kunnen zijn. Vanaf ‘Miracle on 34h Street’ heeft het genre Kerstmanfilm zich ontwikkelt en komen er ook versies voor waarin niet de Kerstman de kinderen redt maar andersom. In de televisiefilm “It Nearly Wasn’t Christmas”(1989) bijvoorbeeld, wil een gedesillusioneerde Kerstman er de brui aan geven, maar kruist een meisje dat haar gescheiden ouders met kerstmis bij elkaar wil brengen, zijn pad. Op hun gezamenlijk zoektocht ontdekt de Kerstman dat de mensen hem echt nodig hebben. En weer zijn kerstfeest, de familiebanden, de mythes en de droom gered.
De kerstsatire
Kerstmis is pas compleet als naast de feelgoodfilm en de Kerstmanfilm, het kerstfeest ook flink gerelativeerd wordt. De grootste kersthater aller tijden is natuurlijk Ebenezer Scrooge uit Charles Dickens’ “A Christmas Carol”. Het oorspronkelijke verhaal is een aanklacht tegen het sociale onrecht en de armoede als gevolg van de industriële revolutie. Onder zulke omstandigheden is kerstmis een leugenachtig feest en dat stelt het verhaal aan de kaak. De vrek Scrooge haat het kerstfeest omdat het te duur is. Hoewel zijn klerk een doodziek kind heeft, misgunt hij hem nog de ene vrije dag met kerstmis. Scrooge moet drie geestesverschijningen krijgen voordat hij inziet dat zijn misantropie niet alleen tot ondergang van anderen maar ook van zichzelf leidt. Ondanks het happy end is het vooral een naargeestig verhaal waarvan het grootste deel is gewijd aan de afkeer van kerstmis. De eerste korte verfilming dateert uit 1901 en de eerste grote speelfilm op basis van het verhaal kwam in 1916 The Right to Be Happy. Hoogtepunt onder de tientallen verfilmingen zijn ongetwijfeld de musical versie uit 1970 met Albert Finney en Alec Guinnes, Scrooged (1988) met Bill Murray als mensenhater en natuurlijk The Muppet Christmas Carol met Michael Caine als Scrooge uit 1992.
Er zijn films waarin kerstmis een nog veel boosaardigere en leugenachtige rol krijgt toebedeeld. Zoals in familie- en scheidingsdrama’s, bijvoorbeeld The War of Roses (1989) van Danny De Vito, waarin de kerstscene alleen maar dient om te laten zien dat alles reddeloos verloren is. Dat kerstmis een façade is wordt duidelijk in de Franse film Le Monte Charge (De Goederenlift; 1962). Een vrouw richt twee kamers precies hetzelfde in. In de ene kamer vermoordt zij haar echtgenoot, in de andere viert ze met een getuige kerstmis, om zich het alibi der alibi’s te verschaffen.
Spanningen
Kerstfilms spelen allemaal met het feit dat het westerse kerstfeest gebaseerd is op een droom, de idylle van het harmonieuze gezin. Kerstmis is de enige utopie met een vaste datum op de kalender. Als de eerste kerstverlichting is aangebracht in de winkelstraten rinkelt de telefoon bij de hulpverlening. “Ik heb het in december drukker dan de poelier”, herhaalt de bekende familietherapeute Else Marie van den Eerenbeemt in verschillende interviews. De verwachtingen rond kerstmis zijn hooggespannen, loyaliteiten in familie en gezin komen onder spanning te staan, des te meer nu door tweede en derde huwelijken die loyaliteiten verdeeld moeten worden over een heel leger aan ouders, grootouders en schoonfamilies. De wereld is groter en ingewikkelder dan ooit. We zoeken naar wegen om die dreiging minstens met kerstmis buiten de deur te houden zonder daar een schuldgevoel aan over te houden. Kerstfilms helpen daarbij beter dan kerstpreken. Terwijl pastoors en dominees de malste toeren uithalen om het kerstevangelie te verzoenen met het gesundene Weihnachtsempfinden, geeft de televisie en de bioscoop gewoon wat we af en toe nodig hebben: een heerlijk warm onderbuikgevoel en een zoete kaneellucht in onze neusgaten.
Dit artikel verscheen eerder in VolZin. Opinieblad voor geloof en samenleving, jrg. 7 (2008), 19 december 2008, p.12-15.
|