|
Maar verlos ons in het kwade:
Over de renaissance van het kwaad in hedendaagse films
“Maar ik zeg U geen weerstand te bieden aan het kwaad.’ (Mt. 5, 39)
Tjeu van den Berk
In 1995 verschenen er maar liefst twee Nederlandse vertalingen van Les Fleurs du Mal van Beaudelaire. Ik heb het sterke vermoeden dat het niet alleen door de schoonheid van zijn poëzie is maar juist ook de thematiek ervan, het werk van Beaudelaire actueel blijft. In 1860 was het nog een ongekend schandaal dat een kunstenaar schoonheid aan het kwaad durfde te ontlenen, iets wat nu in onze Europese cultuur ondenkbaar is, toch vermoed ik sterk dat de kwestie die Beaudelaire aansneed, verre van geïntegreerd is een eeuw later.
De vervoering en betovering die het kwaad op de dichter hadden, intrigeerde hem namelijk niet zozeer vanuit morele overwegingen (dit in tegenstelling tot de meeste van zijn puriteinse aanklagers die hem letterlijk voor de rechter sleepten) maar kwamen voort uit het besef dat het kwaad, los van onze persoonlijke moraliteit, een wérkelijkheid bleek te zijn, een ontologisch karakter had en blijkbaar buiten de mens om bestaat. De Duivel bestáát! Men was dan ook niet van de Satan af door Beaudelaire te veroordelen. Voor de verlichte mens was het een eeuw geleden echter zo langzamerhand een onvoorstelbare gedachte geworden dat het kwaad iets substantieels was want hij meende dat een mens ten diepste goed was en op een definitieve wijze het pad der vooruitgang aan het betreden was. Had Rousseau in 1762 niet die nieuwe visie op de mens geformuleerd in het volgende motto: ‘Alles is goed zoals het uit de handen van de Schepper komt, alles raakt verdorven in handen van de mens.’? Het is de eerste zin in zijn Emile ou De l’éducation. Het was blijkbaar nog slechts een kwestie van goed opvoeden! Een eeuw later schrijft Beaudelaire echter aan Flaubert: ‘het is mij onmogelijk mij rekenschap te geven van bepaalde gedragingen en gedachten van de mens zonder de hypothese te aanvaarden dat er inmenging bestaat van een boosaardige kracht buiten hemzelf.’ In deze uitspraak steekt één van de meest gevaarlijke ketterijen uit de oude kerk de kop weer op, het manicheïsme. Het kwaad manifesteert zich in de beleving van de moderne mens weer als een werkelijkheid sui generis. En in deze betekenis spreken we dan ook van een ‘renaissance van het kwaad’. We waren gewend geraakt aan de gedachte dat het kwaad niet méér was dan een gat in het goede, we geloofden er niet echt meer in. Uit één van de voorwoord-concepten voor zijn beroemde dichtbundel citeer ik een gedachte van Beaudelaire die als motto kan dienen voor mijn gehele betoog vanochtend. Hij schrijft: ‘Het is moeilijker God líef te hebben dan in hem te gelóven. Daarentegen is het voor mensen in deze eeuw moeilijker te gelóven in de Duivel dan hem líef te hebben. Iedereen dient hem en niemand gelooft in hem. Sublieme subtiliteit van de Duivel.’ Hier lag voor de dichter het werkelijke scandalum. Men heeft God niet lief maar gelooft wel in zijn bestaan, maar omdat men niet gelooft in het bestaan van de Duivel maar hem ondertussen wel liefheeft, delft God het onderspit.
Het kwaad in de wereld van de kunst
De sprong van de poëzie naar de hedendaagse film is niet zo groot als men in eerste instantie geneigd zou kunnen zijn te menen. Het feit dat het in beide gevallen om kunst gaat, schept een wezenlijke overeenkomst en band. Het is om te beginnen een opmerkelijk feit hoezeer juist in de wereld van de kunst het kwaad nog in zijn vele vormen gestalte krijgt. De kunstenaars geloven blijkbaar nog in de Duivel. En verder is het zo dat dit nog zowat de enige instantie is. Tot voor één of twee generaties was er in onze cultuur nog een tweede instantie die zich steeds bewust is geweest van de werkelijkheid van het kwaad, namelijk de christelijke religie. Het is opvallend hoezeer deze blijkbaar een radicale verandering heeft ondergaan. Wanneer men in deze jaren aan een willekeurige groep christenen een rijtje motieven voorlegt om een kind te laten dopen, scoort veruit het laagst ‘de verlossing uit de erfzonde’, niet alleen omdat men geen behoefte voelt aan verlossing daaruit maar evenzeer omdat de erfzonde als realiteit in de belevingswereld haast volkomen afwezig is. Ik kom daar direct meer uitgebreid op terug want het lijkt me een fundamenteel punt. Eerst wil ik nader ingaan op de wereld van de kunst.
In deze wereld blijkt dus het kwaad nog volop aanwezig. En niet in het minst in de filmkunst. Vanaf zijn ontstaan blijkt de film bij uitstek een medium te zijn om de mythe van het kwaad gestalte te geven. Praktisch in elk filmverhaal zijn goed en kwaad in een dramatische strijd gewikkeld, en dat op zo’n levensechte, betoverende manier dat vanaf zijn ontstaan de film zelf als een uitvinding van de Duivel werd gezien. Juist de film blijkt over een groot arsenaal aan symbooltalen te beschikken, veelal ontleend, bewust of niet bewust, aan mythen, zowel christelijke als niet-christelijke. De bioscoopzaal is een geprivilegieerde plaats geworden van mythevorming in onze cultuur, een domein van duistere en lichtende krachten. ‘De bioscoop’, schrijft Zwick, ‘bewaart en actualiseert de voorraad aan structuren, symbolen en beelden van het mythische denken, dat voeding put uit de religieuze overlevering van alle culturen, en dat ook verbazingwekkend veelvoudig teruggevonden wordt in de oorsprongverhalen van het christendom, en in de geschriften van het Oude en Nieuwe Testament.’
Wat beweegt nu juist een kunstenaar om een thema als het kwaad ten toon te stellen, in welke vorm dan ook? Wat willen zíj en wat moeten wíj met deze esthetisering van het kwade? In het algemeen gesteld, blijkt de kunst in staat voorstelbaar te maken wat in onze wetenschappelijke systematiseringen en in onze dagelijkse ervaring onvoorstelbaar is. Er is alle reden aan te nemen dat het hier om een complementair gegeven gaat. De esthetisering maakt het ons mogelijk afstand te nemen van een werkelijkheid die ons soms als een mysterium fascinans et tremendum overspoelt. Lesch schrijft: ‘Waar het kwaad en de Kwade voorstelbaar worden, daar worden zij op een of andere wijze hanteerbaar, en waar het kwaad begripsmatig niet te vatten is, daar springt de kunst bij. Het is altijd zo: wat voorgesteld kan worden, dat verliest de verschrikking van het onzegbare, het voorgestelde kwade wordt zo in zijn kwaadheid be-grijpbaar, het krijgt een soort elementaire, mythische beschikbaarheid.’
‘Mythe’ dat is hier een sleutelbegrip. Wat de logos te enen male niet lukt, daartoe is de mythos wel in staat. Symbolen (de voertuigen van de mythen) kunnen een werkelijkheid tegelijkertijd onthullen en verhullen. Het ondubbelzinnige codegebonden, afbakenende denken brengt geen symbolen voort. De zwakte van symbolen is natuurlijk weer dat ze steeds iets vaags, dubbelzinnigs, onvoorspelbaars en multi-interpretabels hebben maar juist symbolen maken de creativiteit in een mens los, en stellen zijn rationaliteit open voor het Andere, het Transcendente. En dat het kwaad transcendente aspecten bevat, lijkt me zonder meer vaststelbaar, zowel in onszelf als in de wereld om ons heen. Het is een mysterie zoals Paulus al wist. Symbolen representeren dat mysterie.
Behalve haar vermogen tot een mythische ontsluiting van een onbegrijpelijke werkelijkheid, bezit het kunstwerk nog een andere eigenschap, waardoor het zo geschikt aangewend kan worden op een dag als vandaag. Kant, die beschouwd mag worden als de grondlegger van de moderne esthetica, heeft ons bewust gemaakt van het feit dat een kunstwerk specifiek gericht is op het ervaren van het schone en het verhevene, en niet direct gericht is op het kennen van het ware of het willen van het goede. Bij het ervaren van het schone en het verhevene is steeds sprake van contemplatie en van een belangeloos verwijlen bij de dingen.
Wanneer hij gelijk heeft, betekent dat dat een kunstwerk bv. het kwade, de zonde kan uitbeelden zonder tegelijkertijd zelf een zondige daad te zijn, aan te zetten tot zonde of een zondige gedachte te formuleren. Een kunstwerk onttrekt zich namelijk aan morele categorieën, het dient ook niet beoordeeld te worden vanuit waarheid of onwaarheid. Het schilderij Guernica van Picasso hangt in eerste instantie niet in een museum vanwege het uitgebeelde onderwerp zelf (de verschrikking van de oorlog!) maar vanwege zijn schoonheid. Dit geldt ook voor Twin Peaks van Linch, Verwoeste Stad van Zadkine en Le Sacre du Printemps van Stravinsky, kunstwerken waarin het kwade zich sterk openbaart. Milan Kundera heeft over de veroordeling van Duivelsverzen van Rushdie een indringend hoofdstuk gewijd in zijn boek Verraden Testamenten. De thematiek van Duivelsverzen is juist de ongrijpbaarheid van de principes van goed en kwaad. Het gaat over de marteling die waarschijnlijk elke godsdienststichter heeft doorleefd. De schreeuw van Christus: ‘Mijn God mijn God waarom heb ge mij verlaten?’, heeft vele profeten bestookt. Is de twijfel van Mohammed, die zich afvraagt wie hem de heilige verzen heeft ingeblazen, God of Duivel, niet van alle tijden? Wisselen in het bestaan van de mens niet constant fundamentele zekerheden af met onzekerheden? Dit boek betekende echter de terdoodveroordeling van de auteur. In een dergelijke situatie van leven en dood schijnt het bijna frivool om over kunst te spreken, schrijft Kundera. Wat stelt kunst immers voor naast de grote waarden die hier bedreigd worden? De hele intellectuele en artistieke wereld concentreerde zich echter niet op het boek maar op de vrijheid van meningsuiting. Niemand betwijfelde dat Rushdie de Islam had aangevallen en met een pijnlijke consequentie liet men het boek ongelezen. Kundera stelt echter, en nu citeer ik: ‘Rushdie heeft geen godslastering begaan. Hij heeft de Islam niet aangevallen. Hij heeft een roman geschreven. Maar dat is voor de theocratische geest erger dan een aanval; als men een godsdienst aanvalt (met een polemiek, een godslastering, een ketterij), kunnen de tempelwachters haar gemakkelijk verdedigen op hun eigen terrein, in hun eigen taal, maar de roman is voor hen een andere planeet; een andere wereld, gebaseerd op een andere ontologie; een infernum waar de enige waarheid machteloos is en waar de satanische ambiguïteit alle zekerheden in raadsels verandert. ... De romanschrijver die een roman schrijft om zijn rekeningen te vereffenen (hetzij persoonlijke of ideologische), is gedoemd tot een totale en gegarandeerde esthetische mislukking.’
Hieruit volgt dat zwaar beladen thema’s zoals goed en kwaad in zekere zin een veilig onderdak kunnen vinden in het rijk van de schoonheid en daardoor eens te meer een zekere afstand bewaren ten aanzien van onze dogmatische en ethische reducties. Dit kan lijken op een vrijblijvende l’art pour l’art houding. Dat hoeft echter geenszins de consequentie te zijn. Het merkwaardige is namelijk dat het beschouwen van een kunstwerk, (dat toch in wezen niet meer is dan een door mensen geschapen illusie, want zij speelt zich niet af, noch in de strikt empirische noch in de strikt subjectieve werkelijkheid), zo’n ongehoorde uitwerking kan hebben, juist naar die empirie en juist naar die persoonlijke beleving toe. Een kunstwerk weet steeds weer grenzen te verleggen en onvermoede perspectieven te openen. We kunnen in het journaal avond aan avond mensen dood geschoten zien worden zonder dat het ons noemenswaard raakt, terwijl hetzelfde thema, gepresenteerd in een kartoon, een dans, een filmbeeld, ons ineens kan verbijsteren. De kunst kan ons blijkbaar zo’n spiegel van de werkelijkheid voorhouden dat pas daardoor die werkelijkheid werkelijkheid voor ons wordt. Juist de schone vorm waarin het onheilspellende aan ons verschijnt, maakt pas dat we het onheilspellende als zodanig ervaren. En het paradoxale gebeurt: goedheid en waarheid blijken ineens via schoonheid opgeroepen te kunnen worden. In die zin had Dostojewsky gelijk met zijn uitspraak dat ‘schoonheid de wereld zal redden’. Solzjenitsyn schrijft in verband met deze uitspraak: ‘Misschien is de oude drie-eenheid van Waarheid, Goedheid en Schoonheid dus toch niet zomaar en versleten cliché, dat voor officiële gelegenheden wordt opgepoetst, zoals we dachten in de dagen van onze zelfverzekerde, materialistische jeugd? Als de toppen van deze drie bomen samenkomen, zoals de humanisten zeiden, maar de al te zichtbare, al te rechte stronken van de Goedheid en de Waarheid worden verstikt, afgehakt, niet doorgelaten, zullen dan misschien de grillige, onvoorspelbare, onverwachte takken van de Schoonheid zich een weg banen en omhoog schieten naar dezelfde plaats en zo de taak van alle drie volbrengen?’ Hier is een auteur aan het woord die zeker niet verdacht kan worden van een l’art pour l’art kunstopvatting. Toch huldigt hij het principe dat het in een kunstwerk in eerste instantie niet om goedheid of waarheid gaat. Simone de Beauvoir beschrijft haar ontzetting als ze film van Lanzmann Shoah heeft gezien (een film over de vernietiging van de Joden in de Tweede wereldoorlog). Zij schrijft: ‘Ik voeg eraan toe dat ik me nooit zo’n combinatie van verschrikking en schoonheid had kunnen voorstellen. Natuurlijk wordt de schoonheid niet gebruikt om de verschrikking te kunnen maskeren, het gaat niet om estheticisme; integendeel, de schoonheid brengt de verschrikking zo vindingrijk en zo onverbiddelijk aan het licht dat we beseffen naar een belangrijk werkstuk te kijken. Een waar meesterwerk.’
Het pastorale en catechetisch belang van deze gedachten kan ons moeilijk ontgaan. Het is geen hobby, geen uit zijn voegen gegroeide vrijetijdsbesteding om ons in ons werk te laten inspireren door kunstwerken. Het verschaft ons juist de mogelijkheid de in feite onvoorstelbare gruwelijkheden voor te stellen. Het kunstwerk representeert. Het geeft ons pedagogisch een handvat, een werkvorm. Ik weet wel dat een bepaald soort bekrompen pedagogiek ons wil behoeden voor bv. slechte films maar die legt dan ook de symboliseringsprocessen lam. Het heilige en het demonische wortelen nu eenmaal in de irrationele diepten van onze psyche. ‘Pogingen, schrijft Lesch, ‘het irrationele te verbannen, doordat we het als irrationeel bestempelen, leiden op langere termijn alleen maar tot een terugkeer van het verdrongene.’ We moeten het juist appreciëren dat het irrationele zich onthult in onze verbeelding.
Renaissance van het kwaad in drie hedendaagse film
KFA en Thomas More hebben drie hedendaagse films uitgekozen waarin de renaissance van het kwaad verbeeld wordt. Wat bedoelen we nu met deze uitdrukking?. Ook al zei ik zojuist dat in de film steeds al het kwade een prominente rol heeft gespeeld, we zien daarin immers bijna steeds een strijd tussen goed en kwaad, toch bedoelen we dat er niet mee. Ook al omdat deze karakteristiek altijd al aanwezig is geweest in de film kan men moeilijk van een renaissance spreken. De wijze waarop namelijk in 90 % van de films met het kwaad wordt omgegaan, is nog geheel doortrokken van het verlichte vooruitgangsdenken, namelijk dat daarin het goede het kwade steeds overwint. In dit opzicht is het niet toevallig dat het genre van de klassieke detectiveroman juist in de vorige eeuw is ontstaan. Duizenden films zijn volgens hetzelfde stramien opgebouwd. Hoe listig, sluw en afschuwelijk het kwaad ook is dat begaan wordt, het vernuft van de speurder is het steeds een slag voor en heeft uiteindelijk steeds één troef meer in handen. En verder staat de speurder altijd aan de kant van het goede en geldt blijkbaar onuitgesproken het parool: wanneer we de dader te pakken hebben, dan hebben we de bron van het kwaad te pakken. Het is in principe alleen nog een kwestie van tijd (tot we alle daders te pakken hebben) en van adequate maatregelen (een betere opvoeding en scholing, voldoende politie en gevangenissen) en het kwaad zal in nabije of verre toekomst overwonnen worden.
Met ‘renaissance van het kwaad’ in de hedendaagse films bedoelen we geheel iets anders. In de films die we hebben uitgekozen vertoont het kwaad zich juist steeds als een zelfstandige kracht, de kracht waar Beaudelaire naar verwees, een kracht die wezenlijk niet verslagen wordt aan het einde van de film, hoe verbeten de strijd ook is. Het zijn films waarin op de een of andere wijze, in de ene meer dan in de andere, het ter ziele gewaande oude iraans -gnostieke dualisme na eeuwen weer de kop op steekt. In die zin is er sprake van een renaissance. Het kwaad lijkt zich te presenteren vanuit een dimensie die transcendent is aan de mens. Er komen dan ook geen speurders in voor die dat kwade wel eens op zullen rollen. De hoofdpersonen hebben misschien wel een beroep dat officieel garant staat voor het goede maar zij falen dikwijls hopeloos. De wijze waarop het kwaad zich in deze films manifesteert heeft eerder bijbelse dan verlichte kanten. We ontmoeten weer de Duivel zoals die zich als zoon van God ontpopt in het verhaal van Job, of we worden weer herinnerd aan het feit dat diezelfde Duivel dé grote tegenspeler was van Jezus in de Evangelies. Het kwaad neemt in deze films mythische vormen aan en tart onze rationele en morele logica. We hebben films uitgekozen waarin het kwaad op een of andere wijze onbegrijpelijk en onverklaarbaar blijft, met de nadruk op ‘blijft’!. Het kwaad bestaat al voordat het op een of andere manier een bedreiging is geworden van de deugd, voordat we er ons schuldig door gaan voelen of ons als verdoemd gaan ervaren, het bestaat of we er nu in geloven of niet, om lachen of niet, over filosoferen of niet. Het hoogst haalbare lijkt: er mee te leren omgaan! Het zijn films waarin kwaad en goed voortdurend van plaats veranderen, waardoor de toeschouwer verstoken blijft van een trefzeker uitgangspunt. Hij heeft geen houvast, hij wedt nogal eens op het verkeerde paard. Het goede krijgt ineens macabere trekken en het kwade bekoorlijke. Schuld en onschuld lopen op een onontwarbare wijze in elkaar over en blijken in een en dezelfde persoon aanwezig. Het blijkt zelfs te kunnen dat het goede het kwade voortbrengt en het kwade het goede! Dat neemt niet weg dat in deze films het kwaad daarom goed gepraat zou worden. Kwaad blijft kwaad, duivels en afschrikwekkend. Maar het ontkiemt, bloeit en draagt vrucht. Les Fleurs du Mal!
Waarom nu juist Shadowlands, Bad Lieutenant en Cape Fear? Want ook al is het aantal films waarin op deze wijze het kwaad uitgebeeld wordt, relatief klein, in absolute getallen zijn het er zeker honderden, en dat weer in de meest verschillende genres. Tussen Twin Peaks van David Linch en Schindlers List van Stephen Spielberg ligt een groot scala aan invalshoeken. Is de eerste van meetaf aan surrealistisch opgezet, de tweede wil juist realistisch bekeken worden. Maar in beide openen zich de poorten der hel. Er zijn ook films die letterlijk de duivel opvoeren, vanaf Joker Batman-tot de Duivel in Mephisto. Weer een ander continuum kan getrokken worden tussen een genre als Poltergeist en meesterwerken van Bunuel, Bergman en Bresson, drie meesters van het Kwaad.
Behalve dat het drie recente films zijn, voorhanden in de gemiddelde videozaken, en dat het kunstwerken zijn die boven het gemiddelde uitstijgen, is het met name één criterium geweest dat het oog liet vallen op juist deze drie films. Op één of andere wijze gaan de drie regisseurs expliciet een confrontatie aan met opvattingen ontleend aan het joods-christelijke erfgoed. De verhalen spelen zich af in situaties die zonder meer een christelijke signatuur hebben. Dit gesteld zijnde, hebben we vervolgens getracht toch zoveel mogelijk verschillende accenten aan bod te laten komen. In de ene film betreft het meer een oudtestamentische benadering, in de andere een meer nieuwtestamentisch, in de ene staat de roomse kerk centraal, in de andere de anglicaanse, in de ene betreft het meer morele kwaad en in de andere het natuurlijke kwaad, in de ene wordt sterk met symbolen gewerkt, in de andere juist niet, de ene film is op een klassieke wijze gemonteerd en de andere heeft postmoderne trekken. De confrontatie met het christelijk geloofsgoed staat echter steeds in alle drie mede centraal. De spanning wordt juist veroorzaakt doordat in onze christelijke cultuur er weer sprake is van een renaissance van het kwaad.
Oude ketterijen steken weer de kop op
Voordat ik uit elke film een fragment laat zien en becommentarieer, wil ik juist op die spanning nog wat nader ingaan. Wat is namelijk het probleem? Het lijkt net of in de brede lagen van het moderne christelijke beleven men niet meer in het kwaad en in de Duivel gelooft! In een gedenkwaardige toespraak onder de titel ‘Kan de duivel verlost worden?’ is de filosoof Kolakowski in 1972 op deze kwestie ingegaan.
Hij stelt daarin zijn gehoor de volgende vragen. ‘Kan men in het hele kosmische en historische theater een beweging ontwaren die streeft naar een uiteindelijke verzoening van alles? Zullen het kwaad en het menselijk lot, het lijden en de ondergangen ooit hun verlossende zin onthullen, wanneer men ze zal kunnen bekijken vanuit de positie van de uiteindelijke verlossing?’ Simpel gevraagd: zal uiteindelijk alles goed komen, zal het kwaad uiteindelijk verlost worden? Dit is natuurlijk nog geen typisch christelijk probleem. Maar we komen in de richting als we vragen: is het kwaad ‘een deeltje van een noodzakelijkerwijs goed voorzienigheidsplan’, of nog scherper, zal uiteindelijk blijken dat het kwaad ‘helemaal geen kwaad is zodat in de eindfase van de verlossing niets uit de algemene verlossing verwijderd zal worden, niets verworpen, niets verloren?’
Ik wil U vandaag geen hoorcollege ‘Geschiedenis van de ketterijen’ geven maar willen we ons thema enigszins op de achtergrond van de christelijke traditie plaatsen, dan moeten we ons er van bewust zijn dat zo ongeveer de twee grootste ketterijen waar de oude kerk mee af te rekenen had, in een modern jasje weer helemaal onder ons aanwezig zijn. En het lijkt me zinnig daar even bij stil te staan. Deze ketterijen geven inzicht in veel van wat we om ons heen zien gebeuren.
Ze hebben hun naam te danken aan twee mannen die ze op een exemplarische wijze uitgedragen hebben, Mani en Pelagius. Maar wat zij in hun persoon wisten te kristalliseren, zijn feitelijk eeuwenoude, tijdloze neigingen in de menselijke aard, die steeds weer een renaissance kennen. Het is met name Augustinus geweest die een verbeten strijd heeft gevoerd tegen beide stromingen en het is ook grotendeels zijn theologie die de eeuwen door het officiële standpunt in het christendom bepaald heeft.
De Babyloniër Mani (geboren in de derde eeuw), is sterk beïnvloed geweest door zowel de leer van Zarathoestra, van Boeddha als van Jezus, en zijn opvattingen waren uitgesproken gnostiek van aard. Hij gaat ten principale uit van een volstrekt dualisme tussen een principe van het goede en een principe van het kwade. Er bestaat een donkere en een lichte werkelijkheid die in een constant gevecht gewikkeld zijn en in dat gevecht de schepping meeslepen. Dit gevecht verloopt in drie fasen. Na een aanvankelijke volstrekte scheiding, treedt er in de tweede fase een vermenging op van beide om in de eindfase weer volstrekt gescheiden te zijn. Zijn leer wordt ook wel de leer der twee beginselen en de drie tijden genoemd. Op de meest verschillende wijzen hebben manicheïstisch gezinden, de eeuwen door, naar ‘verlossing’ gezocht in deze dualistische situatie, waarbij dus steeds onaangetast bleef dat er ontologisch een rijk van het goede en van het kwade bestaat. Mani koos voor een weg van verlichting naar binnen toe (gnosis) met een duidelijke klemtoon op het licht, andere mystieke stromingen, want het is vooral in de mystieke stromingen (al dan niet ketters van aard) dat zijn ideeën wortel hebben geschoten, kozen soms verrassend genoeg voor een verbond met de duistere, duivelse zijde, weer anderen, waaronder de alchemistische mystici probeerden de kwade en goede krachten een huwelijk te laten aangaan. Die Zauberflöte van Mozart is hiervan een klassiek voorbeeld. Zonder meer is het officiële christendom vanaf het begin van zijn bestaan zonder meer ten diepste beïnvloed geweest door aspecten van deze visie. Het bestaan van de Duivel en van de Erfzonde zijn daar uitgesproken voorbeelden van. Evenals de opvatting, dat wanneer Gods genade ons niet zou verlossen, we onherroepelijk overgeleverd zouden blijven aan de machten van de Duisternis. En de bijbel verwijst ook naar een derde tijdperk, (voorafgegaan door een apocalyptische eindstrijd) waarin een eeuwige en volstrekte scheiding bestaat tussen goed en kwaad, waarin de Duivel en zijn volgelingen voor eeuwig blijven bestaan naast de bewoners van het hemelrijk. De Duivel wordt dus niet verlost!
Augustinus kon ver meegaan met Mani (hij was immers zelf negen jaar lang lid geweest van een Manicheïstische gemeente) maar hij hield onverbiddelijk halt waar deze stelt dat het kwaad als een werkelijkheid sui generis gezien moet worden, ontologisch van aard is. Hij wilde kost wat kost het vlijmscherpe dilemma ontwijken dat stelt, dat aangezien het kwaad in de wereld bestaat, God ofwel ook slecht ofwel machteloos is, of slecht en machteloos tegelijk. Hij zag hier maar één uitweg: hij stelde dat het kwaad als zodanig niet bestaat, geen ontologische status heeft. Het kwaad is volgens hem in wezen niets anders dan de afwezigheid van het goede, het is eigenlijk niets, een gat. Kolakowski wijst erop, dat aan deze opvatting netelige consequenties verbonden zijn. Wel beschouwd moet de Duivel (waarin Augustinus toch ook geloofde) dan in wezen goed zijn, evenals de menselijke wil, daar die als het er op aankomt slechts uit onwetendheid het kwade doet. Maar nog belangrijker is de vraag waarom de genade van God dan toch wel een onontbeerlijke voorwaarde is om het goede te kunnen doen, als het kwade niets voorstelt? Kolakowski stelt scherp, en nu citeer ik: ‘Het traditionele antwoord dat het kwaad een zuivere negatie is, de niet-aanwezigheid van het goede, als het ware een gat in de dichte massa van het bestaan, heft de twijfels niet op, want er moet een of andere negatieve energie zijn om dat gat te boren. En waar komt die energie vandaan? Het enige antwoord dat het geloof in één Schepper suggereert, is dit, dat deze energie moet voortvloeien uit dezelfde bron, dat het oog, dat naar de wereld kijkt vanuit het gezichtspunt van het alles zien, in staat is de allesomvattende liefde Gods ook te ontdekken in ogenschijnlijke monstruositeiten, medelijden in wreedheid te ontwaren, harmonie in strijd, hoop in wanhoop, orde in verval en, verrijzen in de val.’
Augustinus was maar nog maar net klaar met zijn strijd tegen het Manicheïsme, betogend dat de bron van alle kwaad louter en alleen in de menselijke wil gelegd dient te worden, of vanuit de tegenovergestelde hoek kwam in de persoon van de Ierse monnik, Pelagius (tijdgenoot van Augustinus) een in zijn ogen nog groter gevaar opzetten. Grofweg komt de leer van Pelagius hier op neer: een mens kan op eigen krachten het heil verwerven, het kwaad is een toevallige factor en behoort niet tot de natuur van de mens. Pelagius ontkent de erfzonde, slaat de last van de begeerlijkheid laag aan en ontkent dat lijden en dood het gevolg zouden zijn van de zonde van de mens. Alhoewel geschapen, bestaat de mens als autonoom zelfbeschikkend wezen en Pelagius verwerpt dan ook de genade als noodzakelijke voorwaarde tot heil en verlossing. We kunnen ons voorstellen hoezeer Augustinus, zozeer doordrongen van de werkelijkheid van het kwade in de mens en van de noodzaak van Gods genade, hiertegen gefulmineerd heeft. Ook het Pelagianisme heeft de kerk steeds vergezeld. Het protestantisme is in onze traditie zeker een sterk anti-pelagianistisch moment geweest, het humanisme had daarentegen weer duidelijk semi-pelagiaanse trekken, het jansenisme daarentegen was weer eerder manicheïstisch van aard. Nu lijkt het een terecht, te stellen dat net zoals de Oude Kerk sterk aanleunde tegen het Manicheïsme, in het moderne christendom juist het Pelagianisme hoogtij viert, en wel in een doorgeschoten vorm. Spoorde Pelagius nog aan tot een streng ascetisch en kuis leven, hij verkondigde een rigoureus ideaal, gebaseerd op zelfverloochening en niet gebaseerd op mystieke ervaringen, zoals bv. Mani beklemtoonde, de moderne christen ziet vrijwel af van de noodzaak van een ascetisch leven en gelooft in de natuurlijke zelfontplooiing van de mens. Zondebesef bestaat haast niet meer, de Biecht is afgeschaft. De Pelagianen baarden mede daarom zo’n opzien in de Oude Kerk omdat ze een uiterst volmaakt en rein leven leidden. Juist dit perfectionisme kwam in de ogen van Augustinus voort uit een misplaatst gevoel van optimisme. Het was eerder hoogmoed.
De moderne pelagiaanse houding vindt Kolakowski veel gevaarlijker voor het christendom en voor onze hele cultuur dan de manicheïsche. Het bestaan van de Duivel en de erfzonde hebben eeuwenlang onderstreept dat het kwaad in onze wereld niet toevallig is, stelt hij, en het is van het grootste belang dat niet toegegeven wordt aan de verleiding van de verlichting die rekent op een uiteindelijke verzoening van alle dingen in een algemene harmonie. Of dat nu gebeurt in de pantheïstische filosofie van Teilhard de Chardin, in de ideeën van Honest to God van Robinson, of vanuit een New Age harmoniebewustzijn, ‘het geloof in een universele verzoening is niet alleen strijdig met de christelijke traditie, maar ook met wat wij weten uit de wetenschap van de duurzame mechanismen van het menselijk leven. Dit geloof bedreigt de wezenlijke waarden van onze cultuur. ... Het geloof dat alle waarden en alle energie uiteindelijk uitvloeisels ofwel vertakkingen van dezelfde goddelijke wortel van het bestaan zullen blijken te zijn, verschijnt herhaaldelijk op de neoplatonische oevers van de christelijke geschiedenis.’ Hij spreekt hier over ‘buitenechtelijk nakomelingschap.’ ‘Dit geloof neemt aan dat de kosmische geschiedenis geen afval achterlaat; alles wordt uiteindelijk verteerd, alles wordt in de triomfantelijke geestelijke vooruitgang ingelijfd. Bij de eindbalans zal alles zijn rechtvaardiging vinden.’ Deze visie komt dus voort uit de opvatting dat het kwaad niets anders is dan de privatio boni, de afwezigheid van het goede, punt uit. Het stelt in wezen niets voor! Maar, vraagt Kolakowski scherp: wat is de zin van een kwaad dat zichzelf weer opheft, een zin die toch uiteindelijk in God gevonden moet worden die toch uiteindelijk de wereld met al zijn ellende dient te rechtvaardigen? Het lijkt wel of vele christenen ‘bij voorbaat vrijwel alles zegenen wat spontaan opbloeit uit de natuurlijke menselijke impulsen.’
Natuurlijk kan het geloof in de erfzonde in handen van conservatieve bestuurders als een ideologisch instrument dienen om alle maatschappelijke veranderingen tegen te houden maar niet-geloven in de erfzonde heeft zeker net zo’n grote destructieve gevolgen. ‘Indien alles uiteindelijk gerechtvaardigd zal worden, alles in de uiteindelijke verlossing zin zal krijgen, dan verleent men niet alleen aan de voorbije geschiedenis een getuigschrift van onschuld, maar tevens aan de huidige en de huidige is dat, wat ieder van ons hier en nu doet. Het blijkt dus dat wij noodzakelijkerwijs van onze zonden verlost zullen worden bij het laatste oordeel, of omdat onze motieven eerbiedwaardig waren, of omdat wij onbewuste agenten van de voorzienige wijsheid waren. De hoop op volledige uitroeiing van het kwaad in de toekomst spreekt over het heden een vrijsprekend vonnis uit. Aardse paradijzen en hemelse paradijzen waarin ons uiteindelijk het gehele plaatje in het vooruitzicht wordt gesteld waarin alles goed zal komen, een vooralsnog onbevattelijke goddelijke voorzienigheid heeft dat in petto, is een vreselijke klap in het gezicht van het onvoorstelbare kwaad dat mensen soms nu ten deel valt, soms volledig buiten hun schuld om, en anderen niet ten deel valt, volledig juist buiten hun schuld om. Wie zo denkt, getuigt eerder van duivelachtigheid dan dat hij het duivelse vermijdt. Nee, we moeten vrezen dat de Duivel nooit verlost kan worden. En juist deze overtuiging is heilzaam voor de mens, en Kolakowski haalt Anatole France aan die heeft opgemerkt dat er in naam van een of andere doctrine nooit zoveel mensen uitgemoord zijn, als in naam van het principe dat de mens van nature goed is.
Het zal u duidelijk zijn dat de films die handelen over de renaissance van het kwaad, aansluiten bij het Manicheïsme en juist niet bij het Pelagianisme. Het wordt nu tijd dat we deze films eens gaan bekijken.
‘Shadowlands’
Richard Attenborough, bij velen bekend als de regisseur van Gandhi uit 1982, maakte in 1993 de film Shadowlands die handelt over het leven van schrijver C.S. Lewis en zijn geliefde Joy Gresham, een aan de ene kant ingetogen maar aan de andere kant uiterst aangrijpende film. Net als in Gandhi gaat het hier om een historische figuur en de episode die Attenborough filmt, speelt zich af in de jaren vijftig van deze eeuw. Het leven van de theoloog-schrijver, en hoogleraar in de middeleeuwse literatuur te Oxford, verloopt vrijwel vlekkeloos en succesvol. Hij is bekend tot ver over de grenzen en wordt vertaald in vele talen, zowel zijn literair als zijn wetenschappelijk werk. Reeds een heer op leeftijd, verknocht aan zijn vrijgezellenbestaan, woont hij samen met zijn broer op de campus van de universiteit. Hij houdt prachtige lezingen door het hele land, waarin met name ook thema’s als lijden en kwaad, de Duivel en God aan bod komen. Prachtig weet hij te vertellen dat God ons als een beeldhouwer uit de steen hakt. Dat doet pijn maar we dienen dat lijden als een geschenk van God te zien. In zijn college zien we hem met zijn studenten discussiëren over de hoofse minne.
Een harmonieus, geslaagd leven, zo lijkt het, totdat de Amerikaanse dichteres Joy Gresham haar intrede doet. Zij wil kennis met hem maken nadat zij veel van zijn werk gelezen heeft. Het contact verloopt uiterst vriendelijk en er volgt een tweede uitnodiging om met haar zoontje de Kerstdagen te komen vieren ten huize van beide broers. Het blijkt dat Gresham gescheiden is en nu met haar zoontje in Engeland een nieuw leven wil beginnen. Omdat zij geen verblijfsvergunning kan krijgen in Engeland als ze niet getrouwd is, is de professor wel genegen om voor de wet (en puur voor de vorm) met haar in het huwelijk te treden. Het is een kostelijke plechtigheid. De professor blijft uitermate gereserveerd zoals een gentleman betaamt. Gresham en haar zoontje gaan in Londen wonen.
Het fragment dat ik voor U uitgekozen heb, speelt vlak hierna. Lewis nodigt Gresham en haar zoontje uit voor het jaarfeest van de universiteit. Dat gaat met groot ceremonieel gepaard. Vlak daarop zijn we getuigen van een indringend gesprek tussen Lewis en Gresham, we zien een student zijn studie vaarwel zeggen, en vlak daarop boort het kwaad zich op een brute wijze in het leven van deze mensen.
Fragment 1 uit Shadowlands.
Ik heb U het ‘God save the Queen’ laten horen omdat ik denk dat Attenborough dat maar om één reden zo uitgebreid in beeld heeft gebracht, namelijk vanwege het feit dat God koningin Joy blijkbaar niet redt! Deze film gaat niet over het morele kwaad maar over het natuurlijke kwaad, dat ons steeds als een ramp buiten onszelf om treft, ook al leven we nog zo moreel hoogstaand. Machteloos kijken we toe! Ons leven in dienst van God en de hoge literatuur wordt door elkaar geschud en er komen gevoelens in ons naar boven die we ternauwernood hadden vermoed. We krijgen vragen voorgeschoteld waarop we geen antwoord hebben. Vele thema’s roert deze film aan. Daar is wat mij betreft in de eerste plaats het bewustwordingsproces van Lewis zelf. Hij legt een leerweg af, een initiatie eigenlijk in het mysterie van leven en dood, van goed en kwaad. Hij moet ten diepste afdalen in grotten en spelonken van zijn bestaan. Nu voelt hij de pijnlijke scherpte van de beitelslagen. Diep ontroerend is het daarbij om te zien dat hij uiteindelijk pas weet uit te huilen in de armen van het zoontje van Gresham. Lewis daalt van de Parnassus af en komt terecht in het rijk van Hades! Gresham, dat blijkt uit alles, is veel beter voorbereid op dit fatale gebeuren. Zij geeft hem ook de sleutel in handen om uit deze crisis te raken. Het is een prachtig beeld. Wanneer we overdag aan het wandelen zijn, dan gebeurt het dat er van tijd tot wolken langs de zon trekken waardoor de vlakte successievelijk stroken licht en stroken schaduw bevatten. En wij wandelen nu eens in de schaduw en dan weer in het licht. En wanneer we in het licht wandelen kan ineens een schaduw over ons heen glijden. En ook al willen we in het licht blijven staan, de schaduwen zullen ons onverbiddelijk treffen. De ‘verlossing’ zit hem daarin, dat we deze licht- en schaduwstroken tezamen kunnen beleven. Wanneer een mens tot deze bewustwording komt (het is zonder meer een gnostiek proces dat hier uitgebeeld wordt) voelt hij zich verlost. Zeker deze film heeft een happy end, maar één dat wezenlijk verschilt van één waarin het goede het kwade overwint. Het kwaad houdt zijn onverbiddelijkheid of je nu in God gelooft of niet (vgl het gesprek tussen het kind en de oudere man) het enige dat ons te doen staat is er mee te leren omgaan!
‘Bad Lieutenant’
Kan men Shadowlands parafraseren met ‘Als het kwaad de goede mensen treft’, de film van Abel Ferrara, Bad Lieutenant uit 1992, laat er geen enkel misverstand over bestaan dat we hier te maken hebben met een slecht mens. De hoofdpersoon is een moreel volstrekt gedegenereerde politie-inspecteur. Hij steelt, is zwaar verslaafd aan drugs, vergokt zijn hele hebben en houden en uiteindelijk zijn leven, en handhaaft de wet op een manier waaruit blijkt dat hij de hele wet volkomen aan zijn laars lapt. Ronduit misselijk makend is de scène waar hij ten overstaan van twee jonge meisjes staat te masturberen. Hij heeft geen naam in de film. Op zijn insigne staat B.L. Hij is de Bad Lieutenant.
Centraal in de film staat de verkrachting van een jonge non. Twee minderjarige jongens zijn hierbij op een vreselijke manier te keer gegaan. Ze verkrachten haar op het altaar en drijven tenslotte een kruisbeeld in haar vagina. Er wordt vijftigduizend dollar uitgeloofd voor het vinden van de daders. Onze agent ruikt hier zijn kans om een deel van zijn schulden te kunnen afbetalen. Hij sleept de opdracht voor het onderzoek in de wacht. Hij meent er ook aanspraak op te kunnen maken omdat hij katholiek is.
Is Shadowlands een film waarin het hoogkerkelijke, hoogstfatsoenlijke Anglicanisme te zien is, Bad Lieutenant staat op een kitscherige wijze vol van Rooms-Katholieke symboliek, het soort dat de geëmigreerde Zuideuropeanen in New York kenmerkt, neogotisch zoetelijk. Het is de religieuze sfeer die de videoclips van Madonna ademen. Ferrara heeft het trouwens klaargespeeld om juist haar in zijn laatste film Snake Eyes (een film die overigens dezelfde thematiek bevat als Bad Lieutenant) Madonna prima te laten acteren.
Opmerkelijk aan de beelden in deze film is, dat ze aan de ene kant de rauwe realiteit van alledag uitdrukken maar aan de andere kant en tegelijkertijd sterk archetypisch van aard zijn. Ferrara, zo lijkt het, stapelt symbool op symbool. Op het meest simpele doosje zien we ineens een verborgen kruisje, rozenkransen hangen of liggen overal, steeds weer duikt de gekruisigde heiland op. Maar ook de personen zelf zijn eerder personages die staan voor iets anders. Het keiharde leven staat centraal en toch lijkt hét leven elders.. Ik laat U direct de confrontatie zien tussen de non en de inspecteur, ofwel de confrontatie tussen het goede en het kwade. Een uitermate archetypische scène. Met op de achtergrond twee gotische puntramen, knielt de aan God gewijde vóór in de kerk neer, vlak bij het altaar waarop ze verkracht is. Zij wordt voorgesteld als ‘de non’. En naast haar knielt neer, of liever gezegd, valt neer want is hij is volkomen stoned, de aan de Duivel gewijde. Twee volstrekt tegenovergestelde werelden beroeren elkaar. Het onderzoek naar de verkrachting is op dat moment volkomen doodgelopen omdat ondermeer de non weigert de namen te noemen van de jongens, terwijl ze ze goed kent. Ook nu laat ze niets los, een volstrekt sprakeloze inspecteur achterlatend. ‘Pray. Talk to Jesus’ is haar advies aan hem. Vlak daarop verschijnt in zijn afgepeigerde, hallucinerende kop de gegeselde Jezus zelf en we horen het begin van een uiterst aangrijpend De Profundis. Hij doet wat de zuster vraagt: hij bidt tot de heer!.
Fragment 2 uit Bad Lieutenant
‘I do justice sister.’ Achter deze woorden zit een grote waarheid, misschien wel dé waarheid van deze film, en die maakt dat deze film zo uniek is. Het is namelijk opmerkelijk dat deze uitgesproken slechte man, zijns ondanks moet men zeggen, toch steeds weer het goede blijkt voort te brengen. Op de meest vreemdsoortige manier huldigt deze film de stelling dat het kwaad het goede weet voort te brengen. Toegegeven dat ‘goede’ is meestal weer ‘kwaad’ volgens de gangbare wet, maar we aarzelen niet om van een ‘goede daad’ te spreken. Vele voorbeelden in de film getuigen van dat vreemde gevoel voor ‘justice’. Paulus parafraserend zou men kunnen zeggen: hij wil het kwade doen maar brengt het goede voort.
Ik wil nog op één aspect wijzen. We kennen de klassieke opvatting dat een mens een vrije wil heeft om te kunnen kiezen tussen het goede en het kwade. Die opvatting wordt in deze film aan flarden geschoten. Hoe gemakkelijk huldigen mensen, voor wie het leven gunstig gezind is geweest, deze opvatting, en hoe hardvochtig is niet zelden hun oordeel: eigen schuld, dikke bult. Deze man is gewoon te zwák om het goede te doen. Het wil misschien niet tot ons doordringen maar sommige mensen zijn zwak en andere sterk! Wie staat ziet toe dat hij niet valt! Wie durft een steen te gooien naar deze bad lieutenant? En toch klopt er niets van zijn leven!
Ik denk dat de titel van de film, vertaald als ‘Slechte plaatsbekleder’ duidelijk verwijst naar de ‘onrechtvaardige renmeester’ in het evangelie, eigenlijk ook een onmogelijke figuur in de parabels van Jezus. Hij bedriegt zijn meester om zijn eigen huid te redden, maar Jezus aarzelt niet hem ons voor te houden als voorbeeld.
Als op het einde het fatale schot valt, heb ik dat ervaren als een genade-schot in de meest diepe betekenis van het woord. Hier is ook op geen enkele manier sprake van een ‘happy end’. Ook al heeft het er de schijn van dat het kwaad gestraft wordt! Het tegendeel is waar.
‘Cape Fear’
In 1991 schiep Martin Scorcese één van zijn meesterwerken Cape Fear. Is deze regisseur in veel van zijn films steeds al geobsedeerd door het gewelddadige in de mens (denk aan Taxi-Driver en Good Fellas), waarbij thema’s als zonde, schuld, boete en vergeving centraal staan, in deze film weet hij op een uiterst knappe wijze al deze thema’s te laten opgaan in een uiterst sterke thriller. De religieuze werkelijkheid van schuld en boete speelt zich af in een verhaal dat tot een haast een ondraaglijke spanning wordt opgevoerd. Is Bad Lieutenant een cultfilm, gevierd op festivals en met een uitbundige lof van de pers, Cape Fear heeft het grote publiek op het oog gehad en bereikt. Het verhaal, in tegenstelling tot dat van Bad Lieutenant maar weer in overeenstemming met dat van Shadowlands kent het een duidelijke en eenvoudige verhaallijn. Na veertien jaar gevangenisstraf uitgezeten te hebben, gaat Max Cady op zoek naar de advocaat die hij voor zijn straf verantwoordelijk acht, Sam Bowden. Deze hield tijdens het proces tegen hem een cruciaal getuigenis achter, dat hem zeker vermindering van straf zou hebben opgeleverd. Maar het ethisch gevoel van de advocaat was groter dan zijn beroepseer. Max wil Sam nu laten boeten voor die veertien vreselijke jaren, en gedurende de gehele film oefent hij een terreur op hem uit die op het einde onbeschrijfelijk wreed is.
De interpretaties van deze film zijn zeer divers geweest en staan dikwijls ook haaks op elkaar, zonder dat men overigens het vakmanschap van Scorcese in twijfel trekt. Bepaalde aspecten lijken me echter niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Bijvoorbeeld het feit dat Max Cady op een of andere wijze het kwaad personifieert en wel op een onheilspellend transcendent, vrijwel niet te verslaan niveau. Op zijn lijf staan oud-testamentische citaten getatoeëerd. Het meest sprekende is wel: ‘Aan mij is de wrake!’ Je hebt het idee dat het niet om Max Cady gaat. Hij is eerder bezeten van het kwaad in al zijn gruwelijke en bekoorlijke vormen. Hij is het kwaad zonder meer, niet zozeer het morele kwaad. Dat kwaad zal zijn uitwerking hebben ook al zal Cady zelf dat met de dood moeten bekopen. Als we nu naar de vervolgde advocaat en zijn vrouw en kind kijken, valt ons een tweede aspect op. Het kwaad sleurt deze familie zo mee, dat het van lieverlede ook in hen vaart. Bowden ziet op het laatst nog maar één middel, Cady vermoorden! Bijzonder boeiend onderdeel in deze film is ook de volwassenwording van de dochter van de advocaat. Zonder meer wordt duidelijk dat Max Cady daartoe een substantiële bijdrage levert, net zoals de wolf bijdraagt in de volwassenwording van Roodkapje. Max doet haar bewust worden van haar bekoorlijke duistere krachten. Als derde aspect wil ik noemen, en hier stoten we op de meest verwarrende karakteristiek van de renaissance van het kwaad, is het feit dat Cady Bowden verlost van zijn schuld, van zijn lafheden, van zijn moord- en flirtneigingen, van zijn lauw bestaan! Het lijkt ongelofelijk maar waar: Bowden moet boeten. Daarvoor moet hij door de hel en Cady is zijn begeleidende engel!
Voor ik daarop doorga, wil ik U eerst het fragment laten zien. Cady zit in een restaurant, en leest uit nota bene de bijbel! Bowden komt binnen en bedreigt hem met een aanslag als hij de stad niet verlaat. Achteraf zal Bowden merken dat Cady dit dreigement heeft opgenomen op een taperecorder en hij zal hem daarmee voor de rechter dagen. Daarna zien we Bowden een onderhoud hebben met zijn dochter, die vlak daarvoor Cady op haar school aangesproken heeft. Dan volgt de aanslag op Cady en zijn monoloog.
Fragment 3 uit Cape Fear
In veel besprekingen wordt Max Cady een ‘engel der wrake’ genoemd. Maar dat lijkt mij net iets te onschuldig geformuleerd. ‘The book between Esther and Psalms’ dat Cady Bowden adviseert te lezen is dat van Job. Daarmee geeft hij aan dat Bowden die figuur is. Job leidde een rijk gezegend leven totdat God aan zijn zoon de Duivel toestemming gaf dit leven volledig te verwoesten om Job op de proef te stellen. Daarmee geeft Cady aan dat hij een zeer bepaald soort engel is, namelijk de Duivel zelf, bij wie goddelijk bloed door de aderen vloeit. Cady is aangesteld om Bowden tot het uiterste op de proef te stellen. In het fragment dat u gezien heeft, spreekt Cady één van de beroemdste uitspraken uit de christelijke mystiek uit: ik ben zo groot als god, hij is als ik zo klein! We kennen de oerkreet van Michaël in zijn strijd tegen Lucifer: ‘Wie is gelijk aan God?’ We dienen ons te realiseren dat in Cady geen mens aan het woord is maar de Duivel zélf! Komt in Cape Fear het oudtestamentische gedachtegoed sterk tot zijn recht, op het einde komen er zeker ook nieuwtestamentische beelden. Als we de bebloede handen zien van Bowden, verwijzen die overduidelijk naar de stigma’s in de handen van de Gekruisigde. Want we weten het: net zoals de God van het Oude Testament zijn Job offerde, zo levert de God van het Nieuwe Testament ook zijn zoon ter kruisiging over aan de kwade krachten. Dit is eeuwenoude katholieke theologie! Er zit een duivelse logica in deze film.
Hoe verschillend deze drie films ook zijn, in alle drie raken mannen die een beroep uitoefenen dat traditioneel gezien borg staat voor het goede, op een zodanige wijze verstrengeld in de wereld van het kwaad, en dat op zo’n wijze dat deze kwade krachten een verlossende werking op hen blijken te hebben.
Met het onreine in het reine komen
Ter afronding, dames en heren, een paar gevolgtrekkingen uit hetgeen we gezien en gehoord hebben, gevolgtrekkingen die te maken met onszelf en met ons werk.
Ik meen om te beginnen dat er voor ons weinig anders op zit dan dat we met onreine in het reine komen. ‘Weersta het kwade niet’ houdt Jezus ons al tweeduizend jaar voor in de Bergrede.(Mt. 6, 39) Hier ligt voor velen van ons een schier onmogelijke opgave, én vanwege het feit dat het op zichzelf al veel levenskunst en levensmoed vraagt om het kwaad niet te weerstaan, én omdat we zó opgevoed zijn dat we hier welhaast instinctief de verkeerde weg inslaan. Indien we als kind niet geleerd hebben op het kwade spontaan te mogen reageren, zullen we, als we op latere leeftijd oog in oog komen te staan met het kwade in ons, daar juist weerstand tegen bieden. We vatten de boodschap gewoon niet van ‘Weersta het kwade niet!’ We hebben ook de overtuiging dat het onze plicht is dat él te doen. Er heerst een ethiek van: het kwade uitroeien of minimaal, verdringen. We willen het hoogste goed bereiken ten koste van het kwade, we hebben niet het flauwste vermoeden dat het wel eens zou kunnen gaan om het uithouden van een polaire spanning tussen beide. De oude ethiek verabsoluteert het goede en de mens dient een vertegenwoordiger van het licht te zijn. Hij meent het waardeloze in hem te moeten inleveren tegen het waardevolle dat ook in hem is. Een mens die absoluut goede waarden gaat nastreven merkt na een tijdje echter dat die niet bestaan. We zijn allen ‘beperkte’ wezens, een onontwarbaar geheel van neigingen, belangen, gevoelens en bepaaldheden. We zijn licht en schaduw tegelijk. Je bent niet eenduidig maar meerduidig. Je merkt in die smartelijke confrontatie dat je bekrompen bent, asociaal, seksueel losbandig, agressief, lelijk, sterfelijk, onpeilbaar. Je merkt dat je mens, dier en engel tegelijk bent. Je merkt dat deze eigenschappen niet op jou alleen als individu betrekking hebben maar dat zij tot het wezen van de mens behoren en onuitroeibaar zijn. Je wortels zijn evenzeer van een duistere als van een lichtende kwaliteit. De duisternis is een broeder van het licht ook in ons. Men dient bereid te zijn deze broeder te aanvaarden.
Een mens die dit niet ervaart, of wil ervaren, bouwt twee schijnwerelden op. Aan de ene kant blijft ‘de schaduw’ bestaan, die niet geïntegreerd en op de duur ondraaglijk wordt, aan de andere kant bestaat eveneens een façade, het masker van de ‘persona’.
Drie pseudo-oplossingen zijn bekend: ten eerste kan men kan zo overtuigd raken van het goede in zichzelf, dat men zich onbegrensd en onfeilbaar waant; men verheft zijn principes tot dogma’s en legt die aan anderen op. Men identificeert zich dus met een bovenmenselijk ideaal: de arrogante ‘verloste’ mens met sadistische trekken.
Ten tweede kan men zo overtuigd raken van het kwade in zichzelf dat men geen andere oplossing ziet dan in lijden en opoffering verder te leven. Men ziet het kwade als een briesende leeuw die alles verslindt en men brengt moedig het offer van zichzelf: de wanhopige ‘onverloste’ mens met masochistische trekken.
En ten derde kan men zich afreageren op vreemdelingen, op ethisch minderwaardige of ethisch superieure mensen. Met name in deze eeuw zijn we wakker geworden uit de nachtmerrie van deze ethiek, druipend van het bloed.
Er is een grote drempel te overwinnen wil men het kwade kunnen helen in onszelf met het goede. Toch ligt daar het cruciale punt. Of hij wil of niet, een mens zal onder ogen dienen te zien dat het kwade een integraal deel van hemzelf is. Maar deze confrontatie draait voor ons bewuste ik altijd uit op een desillusie. De naïeve zelfingenomenheid van het ik dat zich min of meer geïdentificeerd had met het goede, krijgt een flinke knauw. Onverdacht is de houding van een mens die de spanning weet uit te houden van schaduw én licht tegelijk te zijn.
Het is dan echter wel uit het met dat zogenaamde heldere inzien van wat goed en kwaad is, het is uit met het idee dat er zoiets als absolute waarden en waarheden bestaan, althans dat die inzichtelijk zouden zijn voor ons. Bij Neumann vond ik een scherpe omschrijving van de ommekeer die zich in een mens voltrekt als hij zijn schaduw aanvaardt. Juist díe mens komt tot liefdevol handelen, die het boze níet weerstaat. Hij schrijft: ‘Pas als ik mezelf eveneens als donker - niet als zondaar - ervaar, kan ik het donkere van de mensen aanvaarden, want ik word mijn saamhorigheid met hem juist bewust door mijn ook-donker-zijn en niet uitsluitend door mijn ook-licht-zijn.’
Ligt hier niet een van de belangrijkste opties voor ons, christenen: het donkere in ons zelf accepteren en van daaruit het donkere ook in de ander weten te accepteren. De optie om de ander lief te hebben zoals hij is en niet zoals wij zouden willen dat hij is. Moeten we niet afzien van de onwijze pretenties, die we ten opzichte van onszelf en ’de wereld’ hebben? Ik las bij Komrij: ‘het is of de mens er maar niet aan kan wennen, er over één en hetzelfde meerdere, vaak tegengestelde opinies op na te houden - vandaag deze, morgen die. De dood mag voor hem niet verschrikkelijk en geruststellend tegelijk zijn. Hij kan de walging niet als aangenaam ervaren. Of omgekeerd. Hij is, als volgeling van links, niet in staat te accepteren dat rechts verstandiger is. Of omgekeerd. Hij kent de mogelijkheid niet om de intense schurkachtigheid van de mens om beurten te bewonderen en te honen. Een goddeloos geloof in God is hem vreemd. Hij beschouwt zoiets niet als zijn natuurlijke staat. Hij wil een systeem. Hij wil harmonie. Dus plakt en lijmt hij koortsachtig.’
Kolakowski de christensocialist kent geen enkele twijfel in deze: iemand die het kwaad integreert als een ontologisch gegeven, die is pas in staat werkelijk bevrijdend te zijn naar anderen toe en zich te onthouden van fanatisme en intolerantie. Iemand die zich realiseert hoe gecompliceerd de brutale krachten zijn die op ons inwerken, zal afzien van de ultieme revolutie, kruistocht, of inquisitie. Dan pas zouden we verschoond blijven van de afschuwelijke uitwassen die het kwaad nu in onze cultuur kent. Rekenen op een uiteindelijke overwinning van het goede op het kwade, op een uiteindelijke verlossing op aarde is niets anders, schrijft hij, ‘dan als hoop verpakte wanhoop. Machtshonger verkleed als verlangen naar rechtvaardigheid.’
Het is duidelijk dat in dit perspectief voor velen van ons ook ons Godsbeeld aan een revisie toe is. Tijdens de voorbereiding van deze lezing had ik in dit verband een veelbetekenende ervaring. We hebben in het Onze Vader leren bidden ‘En leid ons niet bekoring. Maar verlos ons van het kwade.’ (Mt. 6, 13) Toen ik deze bede wat nader onder de loupe nam, was ik verrast door wat ik ontdekte. Toen ik enkele exegeten mijn verbazing voorlegde, bleek dat deze gedachten onder hen al lang gemeengoed waren. Verschillenden onder hen waren zich echter ternauwernood bewust van de theologische consequentie van hun exegese.
Om te beginnen staat in de aangehaalde bede zwart op wit dat God ons in bekoring kan brengen, d.w.z ons tot het kwade kan verleiden! Wij bidden hem dat asjeblief niet te doen. Tweeduizend jaar lang erkennen wij hiermee impliciet dat God een kwalijke kant heeft, boosaardig is. We kunnen slechts hopen, en dat is de andere kant van dezelfde medaille die God heet, dat hij ons ook zijn goedaardige kant zal tonen, en we bidden: ‘Maar verlos ons van het kwade.’ Tot mijn verbazing bleek me echter dat dit een onnauwkeurige vertaling is van de Griekse grondtekst. Hieronymus heeft hier een trend gezet met zijn Vulgaatvertaling ‘sed libera nos a malo’. Maar in de tekst stáát niet dat God ons verlost van het kwaad. Ik heb begrepen dat de Willibrord als één van de weinigen hier nauwkeurig vertaalt met: ‘Maar behoed ons voor het kwaad.’ Dit is heel wat anders dan ‘verlossen van’. In het Grieks staat ‘beschermen tegen’, ‘bewaren voor’ (‘rusai apò’). Anders gezegd, het kwade en het goede hebben beide een goddelijke oorsprong. Goed en kwaad zijn principia, zaken van ‘in het begin’, het zijn uiteindelijk aspecten van God zelf. God kan alleen maar gebeden worden om ons te ‘bewaren’ temidden van het kwaad. Hij kan ons op zijn hoogst verlossen in het kwaad! Bij ‘verlossen uit’, had ook het Griekse woord ‘èk’ gebruikt moeten worden en niet ‘apò’. God die ons tot het kwade kan bekoren, en ons er tegen kan beschermen, is blijkbaar niet in staat ons er van te verlossen. Een dergelijke God heeft is dubbelslachtig. Van de God van het Oude Testament wisten we dat al lang. Eén voorbeeld. In Jesaja 45, 6 staat: ‘Ik ben de Heer die dit alles doet, die het licht formeert en de duisternis schept, die het heil bewerkt en het onheil schept.’ Maar in het Onze Vader betreft het de God van het Nieuwe Testament! Of eigenlijk dus niet! In dit verband doet het plan van de Italiaanse bisschoppen, de tekst van het Onze Vader te veranderen, simplistisch aan! Met name de zin ‘En leidt ons niet in bekoring’. Die zou in het vervolg moeten luiden: ‘En laat ons tegenover de verleiding niet in de steek’. Reden van deze verandering: ‘God kan geen verleider zijn.’ Het is tragikomisch om te constateren dat deze Monsignori, die in vroeger eeuwen omwille van het vasthouden aan de letter van de Bijbel, brandstapels hebben opgericht, nu zelf een cruciale tekst rustig naar hun hand zetten. En verder getuigt een dergelijke ingreep natuurlijk van weinig historisch benul wat betreft de spirituele context van deze passage. De kwestie waar het eigenlijk om draait lost op met een dergelijke oplossing.
Ik wil ten overvloede beklemtonen dat in deze bede het kwaad als een van de mensen onafhankelijke kracht voorgesteld wordt, en dat Adam en Eva eeuwenlang ten onrechte de uiterst zware theologische beschuldiging te dragen hebben gekregen als zouden zij alleen de oorsprong van alle kwaad zijn. Trouwens het zondevalverhaal zelf geeft aan de ene kant aan dat het Kwade los en autonoom van hen bestond, in de gedaante van de slang, en aan de andere kant stelt de Bijbel dat het eten van de verboden vrucht, hen zozeer aan God gelijk doet worden, dat Deze besluit hen uit het paradijs te verdrijven. ‘De mens is in de kennis van goed en kwaad als een van Ons is geworden’ staat er. Weer merken we op dat in God zelf die dubbelheid bestaat. God verdrijft de eerste mensen uit het paradijs omdat Hij vreest dat ze geheel op Hem gaan lijken als ze ook nog de vrucht eten van de andere boom, die des levens! (Gen. 3, 22) Het is deze vrucht waarnaar wij allen blijven verlangen, een toestand ‘jenseits von Gut und Böse’, ‘jenseits van God zelf’ zou Eckehart zeggen. Maar dat is een ander verhaal!
Al met al is het mijn ervaring dat je aan de Bijbel bijzonder moeilijk kunt ontlenen dat het kwaad als een privatio boni, als een afwezigheid van het goede gezien moet worden. In de Bijbel kom je namelijk heel vlug bij de Duivel zelf te biechten. De christelijke verlossingstheorie (met het haar eigen mens- en Godsbeeld) is een typisch theologisch construct uit latere eeuwen.
Op de vraag welke kleur het christendom in de naaste toekomst moet bekennen, wil het op een adequate wijze reageren op deze renaissance van het kwaad, heeft Kolakowski heeft een verrassend antwoord. ‘We hebben een christendom nodig dat niet goud, niet paars noch rood is, maar grijs.’ Het lijkt me een perfecte metafoor, want grijs is een samenstelling van zwart én wit. Het gaat niet om zwart óf wit.
door dr. Tjeu van den Berk
|